Inleiding
De stad is uiteindelijk een natuurlijkere en gezondere omgeving om in te wonen dan het platteland, alleen dan moet ie wel voor mensen gemaakt worden, de menselijke natuur dienen zogezegd. Dat betekent dat de stad onze natuurlijke interactie moet faciliteren, dat de stad feitelijk de ideale omgeving voor mensen moet worden. Dat de stad dat nu niet meer is, ligt aan het feit dat in de vorige eeuw er vooral mechanisch en praktisch met de stad is omgegaan. Het ging vooral om efficiency, economische groei, infrastructuur, e.d.
De stad als zodanig heeft net als mensen in haar ontwikkeling diverse stadia en crisissen meegemaakt. Tijdens de industrialisatie en de massale toestroom van arbeiders midden 19de eeuw tot begin 20ste eeuw ontstonden er in West Europese steden ongezonde woonomstandigheden voor de armere bewoners. Lucht, licht en schoon water was toen het credo van de vernieuwers, de Rotterdamse Singels (tegen de cholera), de tuindorpen zijn allemaal ontstaan vanuit de wens de mensen een betere kans te bieden. Dit heeft ook enorm veel positieve effecten gehad op de volksgezondheid.
Momenteel doet zich een nieuw fenomeen voor: ‘de achterstandswijk’, het spreekt voor zich dat we dit in eerste instantie gewoontegetrouw mechanisch willen oplossen. Alleen de problemen zijn nu anders. Zonder het eigenlijk te merken hebben we langzaam de natuur uit de stad verdreven, dan heb ik het niet alleen over bomen en zichtbaar groen, dat is ook verschraald. Ik heb het dan ook over de natuurlijke interactie op straat, de tuinman, de kruidenier, de wijkagent, de conducteur, kortom de bedrijvigheid in de wijk. Met name de onderkant van de samenleving heeft hier meer last van.
Een goed voorbeeld van een falende fysieke aanpak is die van het RSI syndroom, ontstaan sinds we massaal met computers werken. In eerste instantie werd de oplossing in de werkhouding gezocht; hoeveel stoelen, muizen en wat allemaal niet meer is er ontwikkeld. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat het vooral te wijten is aan werkdruk en psychische factoren en dat er eigenlijk geen mechanische oorzaken zijn. Je moet gewoon niet teveel achter die computer zitten en wat heel goed werkt is een schouderklopje en aandacht.
Dit kan je eigenlijk ook zeggen van de wijkaanpak: te fysiek. Natuurlijk is er sinds Ella Vogelaar ook in het sociale geïnvesteerd, maar dat heeft niet dat opgeleverd wat ervan verwacht werd. Wat is hier aan de hand ? De paradox is dat het op individuele basis wel werkt, de mensen die extra begeleiding of steun krijgen worden daar beter van, maar omdat de omstandigheden niet veranderen (lees: de interactiepatronen in de wijk) heeft dit nauwelijks effect op de hele gemeenschap en de gekoppelde statistische indices. Met andere woorden je helpt Achmed, maar Ricardo of Mustafa glijdt weg. Het is feitelijk dweilen met de kraan open !
Vandaar mijn pleidooi om het zelforganiserend en zelfreddend vermogen van een gehele gemeenschap/wijk te optimaliseren. Dit vraagt een totaal andere oriëntatie op de aanpak van achterstandwijken, deze dient integraal te zijn en uit te gaan van het natuurlijke gedrag van mensen.
De Schijf van Drie
Om nu een richtlijn te hebben in de wijkaanpak en de realisatie van ecowijken, zijn we met een aantal partijen de ecosociale schijf aan het ontwikkelen, met een knipoog naar de schijf van vijf voor gezonde voeding. Dit is een instrument om een aanpak richting en structuur te geven. De ECOSOCIALE SCHIJF bestaat uit drie gebieden, die alles met elkaar te maken hebben en aangrijpen op de natuurlijke interactie in een wijk, een voorlopige schets.
Het eerste gebied is natuureducatie en –beleving, wij dienen bewust te worden van onze eigen natuur en dat leren we van de natuur om ons heen. Het allerbelangrijkste is dit voor kinderen tot 12 jaar, net zoals ze leren lezen en schrijven, zouden ze ook de natuur moeten leren kennen. Voor de ontwikkeling van ons immuun systeem bijvoorbeeld is het cruciaal dat we in onze eerste levensjaren veel met allerhande antigenen in aanraking komen. Boerderijkinderen ontwikkelen veel minder allergieën. De natuur is absoluut noodzakelijke voorwaarde voor onze ontwikkeling
Het tweede gebied is natuurlijk de openbare ruimte zelf, deze moet zo groen en zo divers mogelijk zijn, openbare schoolparken, geveltuintjes, fruitboomgaarden, huttenbouwplekken, etc.
Het derde gebied is de beheer, onderhoud- en inrichtingspraktijk. Je bereikt bovenstaande natuurlijk alleen maar als mensen gaan meedoen, participeren zoals dat tegenwoordig heet. En dat doen ze alleen maar als ze het leuk vinden, er goed in zijn en het nuttig vinden.
Zie hier de ecosociale schijf, het is een handvat voor samenwerking en richting in de wijkaanpak. Het eerste gebied is momenteel de verantwoordelijkheid van de diensten Jeugd, Onderwijs en Samenleving en Sport en Recreatie. Het tweede gebied is de taak van de diensten Stedenbouw en Volkshuisvesting, Gemeentewerken en de Roteb. Het derde valt onder Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Rotterdamse GGD (gemeentelijke gezondheidsdienst). Het spreekt voor zich, dat het ene direct met het andere samenhangt de totale regie van het geheel zou dan ook onder de verantwoordelijkheid van de deelgemeente dienen te geschieden.